Zomerlust
 
Het was zomer 1971. Ik was 15, jij was 17. 
Zomerlust vlamde door je blonde haren 
en de loom kabbelende branding en de hete rust…
Je ligt naast me, op je buik, je borsten maken kuiltjes. 
Je hebt pretlichtjes in je ogen als je me aankijkt en 
vraagt ‘wil je het topje van mijn bikini losmaken, 
zodat ik egaal kan bruinen?’
Het was een dag als een droom.
Je buik schuift over het zand 
en je benen tekenen uitwisbare tekens; 
je hebt lichtrode nagellak op je tenen.
Ik leg mijn handen op je rug, die 
licht gebronsd is door de zon, 
die ons koestert als haar kinderen.
Voorzichtig, maar verrassend handig, 
haak ik het bovenstukje los.
In puberale stoerheid hoor ik mezelf zeggen: 
zal ik je broekje dan ook maar uittrekken?
Ja, dat is goed, zeg je.
Mijn handen trillen.
Ik zie het zand in je broekje dat ik langzaam 
van je billen en je benen stroop. 
Even knijpen je billen preuts tegen elkaar, 
het is geil, maar het is te verdragen.
Als je broekje uit is, doe je je benen wijd vaneen: 
je zachte roze kutje in zachte blonde haren, 
de toegang tot jouw heiligdom.
Jij, bloot in het zand, en ik, 
ik, die dit allemaal aanschouwen mag.
Ho maar, zeg je, zo is het genoeg.
Een bescheiden man
 
Fors en broekvullend maar toch een bescheiden man 
ben ik, een man van alle kwalen, een slijtplek om 
iedereen in te passen. Mijn voetstappen verdwijnen na 
de kleinste golf en de wind van bescheidenheid brandt 
in mijn gezicht, brandt naar binnen; ik ben zo bang 
voor dit leven. 
Mijn aberraties liggen als een bloedrode loper voor mij 
uitgerold, ik hoef er niet over uit te wijden, open boek 
met alle hoofdstukken door elkaar gehusseld; ik lig 
voor het oprapen, moegeslagen, als de dood voor
ieder met een mening.
Broekvullend postuur is geen garantie voor geluk.
Dus ik zeg tegen God…
 
Dus ik zeg tegen God, ik zeg: Zeg, Majesteit, wat was nou eigenlijk de bedoeling van dit alles? Wat was dat voor onzin, dat wij geen vrucht van de boom van goed en kwaad, de boom der wijsheid mochten eten? Wat is er tegen wijsheid, waarom zou U ons die willen onthouden? En trouwens, erg geholpen heeft het niet, want wijs zijn wij nooit geworden. Volgens mij was het gewoon een smoes om ons uit die mooie tuin van U te gooien. (Waar ik me overigens wel wat bij kan voorstellen, want het moet een mooi gezicht zijn om de leeuw vredig naast het lam te zien liggen.) Maar wat een magere liefde moet U voor ons hebben gehad, dat U ons er zo bekaaid af liet komen. Het begon al met een broedermoord en daarna is het nooit gestopt. En U trekt Zich van ons allang niks meer aan. U hebt Zich teruggetrokken in Uw Eigen en denkt: barst maar! Maar het is nu wel mooi geweest, lijkt me; het heeft nu wel lang genoeg geduurd. Alle paden die terug naar U leiden hebben wij begaan, of in ieder geval, dat hebben we geprobeerd. En ik weet ook wel dat wij daarin tekort geschoten zijn: wij zijn schuldig aan alle misdaden: na die broedermoord is het nooit meer goed gekomen. 
Maar toch… Boom der wijsheid…
Ik vind mijn weg wel
  
Ik vind mijn weg wel, ook al is het een teringzooi in jouw hoofd; waar anders moet ik een gedicht beginnen?! Tussen je oude liefdes, je geliefde doden, tussen de freaks die hun kans schoon zagen; ik vind mijn weg wel, tussen je hersenspinsels, je dromen, je mislukkingen; van het toppunt van geluk naar je grootste falen, je leugens en je onvervulde verlangens, de gestolde tranen en melancholie. Zelfs de angsten, die je besluipen als stille tijgers op plaatsen waar angsten werkelijkheid kunnen worden. Ik bekijk alles van alle kanten en zet het terug als breekbaar porselein. Ik wil je leren kennen, helemaal. 
Maar waar vind ik mijzelf in deze bende?! Waar de vlammende striemen van jouw liefde…?! 
Liefde
 
Zoals je silhouet langzaam in de mist oplost... 
Weet je: liefde breekt de sterkste mens. Zo-even was je nog hier; 
hier heb jij gelopen; het was jouw lente, meigras rond je voeten; 
de vogels zingen nog je naam en in het water zie ik nog 
je spiegelbeeld met om je lippen al die grijns van naderende pijn.
En het was alsof ik toen pas bestond, onder jouw zwarte haren. 
Zelfs je zwijgen was prachtig, in alle toonaarden.
En nu schijnt de maan onverschillig over dit alles, over deze 
verschrikkelijke leegte, en is er alleen nog dit hoofd waarin 
het allemaal bestaat, en draag ik de herinneringen
als water naar de zee, want ik moet vergeten de pijn 
van het verleden in de schrijnende rust die is neergedaald.
Waar zijn je voetstappen nu?
Jouw glimlach
  
Het is vreemd, ik zou een boek willen schrijven
over jouw glimlach, maar krijg geen letter op papier.
Jouw glimlach…
  
We hebben het fijn gehad, samen.
Daar denken we nog terug, hè, jij en ik.
Jij daar en ik hier. 
 De man
 
Het melkwitte licht van de keukenlamp schijnt breekbaar
over dit tafereel: de tafel, waar de man overheen gebogen zit, 
zijn zware hoofd rustend op zijn handen.
Zijn koortsige ogen zien niet dat, ondanks dat zij er niet meer is,
de vlammen in de haard hoog oplaaien en
dat in de vriesnacht een heldere sterrenhemel
voor morgen een mooie dag belooft. 
De vallende engel 
  
Ik hoor hem janken, de engel,
Ik hoorde hem al janken eer hij viel,
jankend als een kind dat zijn
vleugels had gebrand;
omdat zijn god hem had verlaten,
en eenzaam aan zijn lot had overgelaten.
 
De engel schreef zijn gedicht 
terwijl zijn vleugels schroeiden; 
want het voelde als zijn doof-blinde, maar heilige plicht
om te ontkomen aan het goddelijke evenwicht: 
om de mensheid niet in haar keuzes te beknotten,
maar saam met haar de grondeloze diepte in te storten.
 
En als zijn gedicht, dat de wereld moet verbeteren, 
langzaam losgetornd wordt uit het weefsel van zijn god,
en de engel, vezel voor vezel, tot stof en aarde rot,
horen sommigen nog zijn stem, of daarvan verwaaide flarden,
en schrijven die haastig op, denkende, of menende, 
nee, wétende, het hogere te horen: hun god!
 
Maar naarmate de engel dieper viel, raakte hij leger en leger; 
tot slechts een flinterdunne huid van eigenliefde overbleef.
En zo, met alleen de echo van zijn eigen zwakke stem heel iel, 
zich onbewust van de eeuwige stof waarin hij zou verkeren,
zijn vleugels brandend, en jankend, jankend als een kind,
schreef de engel zijn gedicht voor ons  –  en viel. 
Het mysterie Gods
  
Ik weet niet meer waar ik was toen ik gelukkig werd. Ik weet alleen dat de hemel openbrak en een grote rust in mij neerdaalde. Ik dacht: ik ben een rots in de branding, een majeure steen, ik ben het mysterie Gods. En toen wist ik het zeker: ik zal vreedzaam sterven.  
Cadenza
  
 Er liep een mannetje door de straat.
          Het was geen grote straat,
          maar wel een zonnige.
  
 Uit een open raam klonk muziek.
           Een cadenza, dacht hij,
           maar hij wist niet wat een cadenza was.
  
 Hij liep met kalme pas.
          Langzaam stierf de muziek weg.
          Langzaam stierf zijn voetstap weg. 
Muze
  
Ik begin altijd met ik, terwijl het toch telkens weer over jou gaat. Jij hebt in mij de liefde gewekt. De melancholie van jouw geest hangt over alles... hangt over zachte zomernachten… Jij Muze, Hooggeboren Vrouwe van mijn ziel, ravenzwarte godin, mooie vrouw, onontkoombaar geil fantoom, mijn verlangen naar jou is oneindig, en ik smeek je, wijs mij niet af, laat mij tot het eind geloven in ons samenzijn. Kus me. Kus me genadeloos! 
 Thee met citroen
 
 De buurman die nog in het ouderlijk huis woont en het gezelschap van zijn oude moeder mist. Hoe hij ‘omdat thee met een sprenkeltje citroen lekker is’ het nuttige met het aangename verenigt door een naar citroen smakend vitamine-c pilletje door zijn pickwickthee te roeren. Hij bood het mij ook aan, vroeger, toen zijn moeder nog leefde – en ik, jongen nog, vond het nog niet zo’n stom idee; ik vond thee sowieso niet lekker, dus ik was al snel tevreden. Zo stel ik me hem voor: eenzaam gestorven achter een kopje thee met vitamine-c. 
Lament
  
Het gaat goed. Het gaat goed. Het gaat goed!… 
Alleen, waarom begrijp ik dan het leven niet? Ik ben een dier in een te kleine kooi. Heldendaden heb ik nooit verricht en ik ben verliefd op het verlangen. Daarom wil het hart niet helen. En hier zit ik nu, met mijn oude, dwaze hoofd en mijn armzalige, versleten knieën. Mijn gemoed is bewolkt. Mijn gaven schieten schromelijk tekort en mijn zonden zijn ontelbaar. Dit overdenk ik in het duister. Waar is het verleden waar ik zo’n heimwee naar heb? Was het er ooit? Ik herinner me een wereld, geopend als een rode bloem, maar nu is het een teringherrie! Er zitten vogels in de boom, veel te veel vogels in de boom! Hoe kan ik zo mijn licht laten schijnen over de donkere plekken van mijn ziel? Verhalen van een eenling in een vervreemdende wereld. Verhalen om de ziel te reinigen, als een hond die met zijn kont over de grond schuurt.
Einde
  
Op godvergeten smalle paden probeer ik je 
van me af te schudden, maar het is vergeefs:
in avondnevels bloedt de lage zon, maar als ik 
mijn adem inhoud is er nog je slijpende achtervolging.
 
Hun witte vleugels schroeiend aan de ondergaande zon
komen hemelbeesten aangevlogen
en schreeuwen kreten uit de hel.
 
Zo zal het komen, de laatste verschrikkelijke oogopslag:
ik zal met wijd open ogen staren naar wat niemand ziet. 
Als de zee
  
Als de zee wiegend en deinend met de honger van een tandeloze mond onstuimig als een eerste keer maar eindeloos veel pijnlijker uit de rotsen een schreeuw knijpt hoog boven wind van snerpend glas dan loeit de nacht en schuimt het water boven duizend schepen verdwaald op zee. 
Ars consolatrix
  
Geef mij maar drama, bij voorkeur treurspelen, elk uur van de dag. Gebeurtenissen zo aangrijpend, dat ze je doen grienen van ellende, ik kan er geen genoeg van krijgen. Ik ben niet geschapen voor de gulle lach en vrolijkheid, ik banjer liefst door het tranendal der mensheid. Ik kies de ijzige winter voor de gulle zomer, en de wrede huilbuien van de herfst voor de tere blos van de lente. Geef mij de as in plaats van het vuur. Geef mij het donker in plaats van het licht. Geef mij de wanhoop boven de hoop. Ik blijf liever steken dan dat ik groei, en ik val liever dan dat ik sta. Ik heb liever de kunst dan het leven.  
Het kind
  
Het kind heeft zich in stukken geknipt en weer aan elkaar geplakt. 
Om de vader. Om de moeder. Om te behagen. 
Fragmentatiebotten van levensangsten en doodsangsten. Horrorkloon. 
Vuile sneeuw

Als er van de winter sneeuw…
      ik bedoel…
      in je hoofd, bedoel ik.
Als er sneeuw ligt in de straten,
       niet meer wit, maar
       modderig en bruin,
       sneeuw die niet wil wijken…
 Als de winter in je hoofd de
       wegen modderig en bruin…
 En dat jij ook
        net als ik… 
Kiezel
  
Nijhoff zei het al: ‘Wij zijn geworden wat wij zijn gebleven.’
En zo is het. Gladgeslepen als een kiezel,
schoongespoeld, zo wil ik leven,
want zo moet het zijn bedoeld. 
haiku
 
Iedere zomer
opnieuw schaamteloos ontbloot:
mijn witte voeten