DE SPINKRAB
(een amuse)
Boven zijn hoofd zwom een bloem van vloeibaar glas het zonlicht tegemoet, met kalme, golvende bewegingen. Zijn oren zaten dicht, alleen een vaag, aanhoudend gerommel. Waar ben ik? Het duurde tamelijk lang voor het tot hem doordrong. Misschien doordat hij gewoon kon ademhalen. Onder water. Een rimpelende zandbodem strekte zich rondom hem uit. Hier en daar staken heldergroene wieren uit het zand. Het was een vreemde omgeving, een zaal die uitdijde in grijze muren van onzichtbaarheid. Hoe was hij hier terecht gekomen? Het was alsof hij wakker werd uit een slaap. Ik droom nog, dit is een droom in een droom. Heel even dacht hij dat hij een nieuwe staat van bewustzijn had gevonden, maar hij droomde niet, hij stond op de zeebodem. Helder water. Kraakhelder. Hij zag de zon in de blauwe lucht, hoog boven zich. De glazen bloem: een kwal in volle glorie. Hoe hoog het water boven hem sloot kon hij niet schatten, omdat het zo helder was. De bodem liep af. Maar hij moest niet dalen, hij moest stijgen! Hij moest omkeren, opwaarts, want de zeebodem is geen omgeving voor een mens! Hij draaide zich om en begon te lopen. Dat was lastig, want lopen onder water gaat traag: je moet al dat water voor je uit duwen. Hij keek voortdurend om zich heen, om te zien of zich niks uit de onzichtbaarheid losmaakte, maar hij zag alleen maar zandribbels, sliertend wier, en nog meer zandribbels, tot het oploste in de schaduw van de zee. Zolang hij maar opwaarts liep. Het was vermoeiend. Hoe ver moest hij lopen? Hoeveel moest hij stijgen? Hoe diep was het hier? Onderwijl vroeg hij zich af wat hij had gedaan voordat hij op de zeebodem stond. Wat was er gebeurd? Was hij uit een of andere bezigheid weggeplukt? Hij kon het zich niet herinneren. Lag hij te slapen? Nee, want het was nu midden op de dag, hij zag de zon recht boven zich aan de blauwe hemel. Waarom had hij geen herinnering aan het ogenblik voor hij zich op de zeebodem bevond? Fijn zand wolkte op rond zijn voetstappen, kleine visjes bewogen zich schichtig rond de wieren. Hij voelde dat hij klom, ook al schoot het niet zichtbaar op, aan zijn omgeving veranderde niets: water, zandribbels, spiralen van groen wier. Het was niet stil, hij bleef een vaag gerommel horen. Hij dacht: is dat de branding? Zijn het golven? Ook al was het water helder en kon hij boven zich de blauwe hemel zien, heel ver om zich heen kijken kon hij niet, overal was het schemergebied waar de zee in haar eigen duisternis verdween, en dat maakte hem onrustig. Hij keek voortdurend over zijn schouders. Links, rechts, links, rechts. Opeens merkte hij beweging op. Hij voelde het eerder dan dat hij het zag: uit de duisternis achter hem maakte zich een angstfantasie los; vanuit het grijze niets verscheen een reusachtige spin! Hij verstijfde van schrik, maar toen de spin eenmaal in het heldere gezichtsveld stapte, realiseerde hij zich dat het geen spin was, maar een krab. Een spinkrab. Groter vind je ze niet. Hij dacht: wat een vreemd beest, daar denk je niet veel over na als je het geserveerd krijgt, het is inderdaad net een spin, met die lange dunne poten. Hij had laatst nog een overheerlijke bisque van spinkrab gegeten. Inmiddels kwam de krab dichterbij. Mijn god, het monster kwam bijna tot zijn borst, schatte hij. Eten krabben mensen? Welnee, denk toch niet zulke stomme dingen! Krabben eten mosselen, visjes, zoiets. Geen mensen, sukkel. Ook deze joekels niet. Ze komen aan de kust om te vervellen. We moeten nou eenmaal dezelfde kant op. Toch? Hij voelde zich niet op zijn gemak. Hier en daar sliertte een lang wier omhoog uit de bodem van het blanke zand, alsof hij in een enorm aquarium liep. Hoe ver zou het nog zijn naar de kust? De spinkrab bleef op gelijke afstand schuin achter hem lopen. Hij dacht: Wat een werk moet het zijn om het vlees uit die lange, dunne poten te pulken. Het was idioot om aan eten te denken, maar er was niets dan zand en water en sliertende wieren, aangelicht door de zon; alles rondom verdween in duisternis, het was kaal, hij was alleen met de spinkrab. En eigenlijk dacht hij altijd aan eten. De ware gourmet geniet van zijn herinneringen, proeft ze op zijn tong, savoureert ze. Hij zei in zichzelf: ‘Ik ben een lekkerbek.’ Het was alsof hij een redevoering begon, de redevoering die hij zou houden over dit merkwaardige voorval. Hij zei het met trots en waardigheid. ‘Ik ben een lekkerbek. En ik ben dol op krab.’ Dat zou zijn tweede zin zijn. ‘Maar wat me nu is overkomen!...’ Tja, wat was hem overkomen? Het was heel merkwaardig. Zou dit zo’n delirium zijn, waarover je weleens hoort? Zo’n delirium van mensen die het heel bont hadden gemaakt? Maar dat was van de drank, toch? En zoveel dronk hij niet. Nou ja, hij lustte wel een glaasje voor het eten, en tijdens natuurlijk ook. En daarna bij de koffie. Maar de rest van de avond was hij tea total. Een slaapmutsje, soms. Hij kende families, goede families, waar ze voor de lunch al een glaasje dronken, maar daar deed hij niet aan. Een glaasje bij de lunch, dat was wat anders. Welke wijn zou hij bestellen bij spinkrab? Een rijke bourgogne? Een chablis? Bij die bisque, wat hadden ze daar ook al alweer bij geschonken? O ja, hij had er een glaasje riesling bij besteld, maar dat had hij pas aangeraakt nadat zijn soep op was, die soep was werkelijk voortreffelijk! Romig, hint van cognac. Dat was dus van zo’n monster geweest. Tegenwoordig dronken ze wel eens een gekoelde rode wijn bij krab. Waar had hij dat nou ook alweer gezien? O ja, in een hip restaurant in een van de oude wijken. Die krab was helemaal niet verkeerd, trouwens. Maar die wijnkeuze wel, wat bezielde zo iemand?! Hij keek voortdurend over zijn schouder naar zijn begeleider. Die bleef op gepaste afstand. En ondertussen bleef die vraag, die prangende vraag: hoe kom ik hier terecht? Hij pijnigde zijn hersenen, maar hij leek een gat in zijn geheugen te hebben. Hij wist niet goed wat zijn laatste herinnering was. Wat was het laatste dat hij had gegeten? Buikspek, perfect gegaard buikspek, met een chutney van rode ui. En er bij gedronken? Een bourgogne, een rode bourgogne in de bloei van zijn leven, ja. Was dat eergisteren, gisteren? Hij keek over zijn rechterschouder. De spinkrab bleef op afstand. Hoe zou deze smaken? Hij bekeek het gevaarte eens beter. Rood. De poten rood aan de bovenkant en dan gevlekt naar wit aan de onderkant. Rozerood en wit krabbenvlees. Met een mayonaise, geparfumeerd met Chinees vijfkruidenpoeder, of misschien een likje citroenmayonaise, heerlijk! En wat dunne toast en boter. En een glaasje chablis van een goed huis, dat zou het worden. Hij had nu eenmaal een delicaat palet. Hij hield wel van zeebanket. Laatst nog. Krab en garnaaltjes vooraf met een prima soave. Ach nee, dat was na die heerlijke bisque, natuurlijk! Gisteren, toch? Daarna een eenvoudig zeetongetje met Hollandaisesaus. Maar dan ook precies zoals je het hebben wilt! Met een fantastisch glas meursault! En toen kwam dat buikspek! Zo zat het! En een rode bourgogne, die loog er ook niet om. Ja, gisteren. Hij had al zoveel lekkers gegeten! Wat een bacchanaal was zijn leven geweest! Wat had hij genoten! En het beste moet nog komen, had hij zichzelf altijd voorgehouden. Het ware lucullusmaal! Het zenit van genot! Hij was zo opgegaan in zijn gastronomische reminiscenties dat hij verschoot van schrik toen hij links gepasseerd werd door een spinkrab, veel dichterbij dan hem lief was! Hij keek schichtig over zijn rechterschouder, maar zijn begeleider was er nog. Die was bovendien een stuk groter dan de spinkrab die hem juist gepasseerd was. Maar tot zijn ontzetting zag hij achter zijn begeleider nieuwe spinkrabben uit de nevelen van de zee opdoemen! Hij stond verstijfd toe te zien hoe de ondieren tevoorschijn kwamen, en het werden er meer en meer, en toen begreep hij dat hij moest lopen voor wat hij waard was! Zijn imposante begeleider kwam vlak achter hem lopen en schermde hem af voor de vloed aan spinkrabben die achter hen aan golfde en zich vlak voor hen weer aaneensloot. Rustig blijven, hield hij zichzelf voor, rustig blijven, ze komen hier om te vervellen, niets aan de hand. Ik moet naar de kust, hoeveel spinkrabben er ook zijn! Hoe zou de kust er uit zien? Zou zijn moeizame klim naar een wit, glooiend strand leiden? Hij moest er hard voor werken. Hij zag alleen maar spinkrabben, maar hij moest omhoog, dat was zijn focus, hij moest hier uit, terug naar de normaliteit, terug naar boven. De vloedgolf van krabben reikte tot boven zijn middel. Hij kon geen kant op. In zijn oren roffelde het als wind in een microfoon, was dat de branding? Hij was niet vertrouwd met onderwatergeluiden. Nee, het roffelde niet langer, het kletterde. Dat waren de krabben. De reuzen klommen over elkaar heen op weg naar de donkere heuvel die voor hem opdoemde. Een heuvel van krabben. Hij wist waarom hij hier was. Hij wist het eigenlijk al vanaf het moment dat hij van de eerste verbazing was bekomen. Maar welke wijn zou hierbij passen?