Heer Bommel en de Moederhoeder



Een onderzoek naar de relatie tussen heer Bommel,
Tom Poes en Doddeltje

 



inhoud

verantwoording

inleiding - hoe de verteller de relatie tussen heer Bommel en Tom Poes vormt:


korte verantwoording

Dit opstel handelt over de relatie tussen heer Bommel en Tom Poes (en Doddeltje), geesteskinderen van de schrijver-tekenaar Marten Toonder. Daar men niet kan schrijven over de relatie tussen heer Bommel en Tom Poes zonder daarin Doddeltje te betrekken, heb ik een apart hoofdstuk gewijd aan de driehoeksverhouding tussen hen. (Volgens Rinus Ferdinandusse zou Doddeltje zelfs niemand anders zijn dan Tom Poes met een kapje op. Een zienswijze die - zo weet ik uit mijn kennissenkring - vrij algemeen gedeeld wordt. In ieder geval is Doddeltje onverbrekelijk met heer Bommel en Tom Poes verbonden.)

Mijn materiaal bestond uit meer dan tienduizend pagina's tekststrips met de avonturen van heer Bommel en Tom Poes. De ballonstrips heb ik buiten beschouwing gelaten, daar deze over het algemeen niet door Toonder zelf zijn geschreven en getekend.
      Iedere keer als ik iets tegenkwam dat bij het geven van een antwoord op mijn vraagstelling naar de relatie tussen heer Bommel en Tom Poes kon helpen, heb ik steeds onmiddelijk mijn reflectie daarop gegeven, trachtend zo objectief mogelijk te blijven. (Om die reden heb ik dan ook elk belangrijk - en mijn betoog illustrerend - citaat in de uiteindelijke tekst opgenomen.) Die citaten en de directe reflecties daarop vormen de basis (het apparaat) van mijn werkstuk.
      Natuurlijk was er in dit stadium van een weloverwogen ordening nog geen sprake. Bovendien waren er van sommige aanwijzingen meerdere vindplaatsen (op de vraag naar heer Bommels reactie op Tom Poes' betweterigheid bijvoorbeeld, kom je een ruim aantal vindplaatsen tegen). In de uiteindelijke tekst moest dat aantal teruggebracht worden om 'over-kill' te voorkomen. Ik heb dan ook allereerst het aantal bewijsvoeringen per bewering teruggebracht tot n. (In sommige ingewikkelde gevallen, of als ik moeilijk tot een keuze kon komen, twee.)

N.b. De afkorting BV staat voor 'beeldverhaal'.

 


Inleiding:
hoe de verteller de relatie tussen heer Bommel en Tom Poes vormt

Heer Bommel als transitional object; Tom Poes als sturende hand


Heer Bommel als transitional object

1941. In het verhaal Tom Poes en de tovertuin, het derde verhaal in de serie 'Avonturen van Tom Poes', verschijnt er een vreemdeling in een geruite jas, die zich aan Tom Poes voorstelt met de woorden: 'Mijn naam is Bommel! Je mag me gewoon kortweg Ollie B. Bommel noemen.' Zo maken we kennis met een van de innemendste figuren uit de stripgeschiedenis. Doordat hij avonturen aantrekt zoals een magneet ijzer, zal hij al snel de hoofdrol overnemen van zijn wollige tegenspeler, de fantasieloze Tom Poes.
      Heer Bommel koopt de Drakenburcht (uit het vijfde verhaal Tom Poes en de Drakenburcht) en noemt die Bommelstein. Het wordt zijn vast punt in een wonderlijke, maar ons toch niet onbekende wereld. Of beter: werelden. Want in het artikel Heer Bommel ontmaskerd, van dr. L. Pepplinkhuizen en Pety de Vries-Ek (in: Dat geeft te denken, Amsterdam, 1986) lezen we:

Zoals ook uit oude sprookjes blijkt, leeft de beer in twee werelden: het instinctieve dierenrijk - ofwel de onbewuste wereld - en de menselijke wereld, de wereld van het bewustzijn. [...] In de Oudheid begeleidde hij de mens op weg naar bewustwording; het teddybeertje helpt kinderen op weg naar volwassenheid; en Ollie B. Bommel stort zich onvervaard vanuit zijn vertrouwde burcht Bommelstein in een avontuurlijke, vreemde wereld, om daar in stilte goed te doen, of een of ander vreselijk onrecht te bestrijden.
[...]
Heer Bommel heeft op een geheimzinnige manier gemakkelijk toegang tot het grote natuurrijk: hij immers ook de Beer Bommel en wandelt daarom zo van de alledaagse conformistische wereld van Rommeldam, waar iedereen zijn stereotype rol vervult, of, in de woorden van Jung, eigenlijk alleen maar een 'persona' (masker) is, naar die andere wereld, de wereld van de natuur, het Donkere Bomenbos of de Savelbergen, waar alles anders, magisch is.

Om van die magische wereld waar heer Bommel toegang toe zou hebben een voorbeeld te geven: in Tom Poes en de kwanten (BV80, p.84) heeft heer Bommel gedroomd dat er 'een vakantie in de grond zat' en hij is allerminst verbaasd als dan inderdaad vanuit het niets een bushalte uit de grond opduikt.
      Als Pepplinkhuizen gelijk heeft, kun je je afvragen of heer Bommel deze gedroomde vakantie niet zelf heeft opgeroepen, in welk geval hij dichter bij het bovennatuurlijke staat dan menigeen denkt.
      Hier zou dan meteen een verklaring liggen voor het feit dat heer Bommel altijd zulke eigenaardige avonturen overkomen. En het geeft bovendien aan waarom 'het kleine volkje' (denk aan Kwetal en Pee Pastinakel) niet schuw is voor hem!

Dat heer Bommel niet losraakt van het 'gewone' leven, zou aan zijn omgeving kunnen liggen, die hem keer op keer dwingt tot aanpassing aan de Rommeldamse normen. Want gaandeweg, als de strip van kinderstrip naar 'volwassen' strip groeit, zien we dat het mensbeeld ingewikkelder wordt. Aart van Zoest zegt hierover:

De ontwikkeling van de Bommelstrip, na de oerfase, laat vooral zien hoe heer Ollie sociaal ingebed raakt, tussen buren (Cantecler, Doddeltje), ambtenaren (Dorknoper), autoriteiten (Dickerdack), middenstanders (Grootgrut) en andere personen met een vrij duidelijke status, die varieert van crimineel tot wetenschapper.
(Aart van Zoest, Ontwikkelingen binnen het Bommeluniversum. In: Bzzlletin 153, februari 1988)

Heer Bommel is gevangen in die Rommeldamse kringen, waar hij tegenover iedereen verantwoording heeft af te leggen. Bovendien houdt het heer-zijn heer Bommel met n been aan de grond. Ingegeven door zijn wens als heer erkend te worden, begeeft heer Bommel zich in kringen zoals die van de Kleine Club, kringen die liggen bnnen het wonderlijke gebied dat Rommeldam insluit en die soms heel wat aanpassing van hem eisen. En tenslotte verankert heer Bommels geld - het heet niet voor niet het 'aardse slijk' - hem stevig aan het alledaagse bestaan.

Heer Bommel mag er dan weinig moeite mee hebben om in het bovennatuurlijke te geloven, voor Tom Poes ligt dat anders. Tom Poes gelooft niet graag aan bovennatuurlijke zaken, hij doet ze het liefst af als onzin. Dat is begrijpelijk, want Tom Poes is een pragmaticus. Hij kan niets met ongrijpbare zaken. Voor hem moeten de problemen van een aard zijn die met behulp van alledaagse logica te beredeneren valt. Daarom is voor de bovennatuurlijke kant van het oplossen van problemen vaak de hulp van Kwetal nodig.
      Wl is het zo, dat Tom Poes meestal heel goed weet wannr hij Kwetals hulp nodig heeft. Bovendien is hij zo slim, Kwetal te vertellen dat de hulp voor heer Bommel is, anders kon Kwetal zijn kennis wel eens voor zichzelf houden. Als Tom Poes zich eenmaal heeft laten uitleggen hoe het probleem opgelost moet worden, knapt hij zelf de rest op.
      Maar - dat moet opgemerkt - als Kwetal in de buurt is, is Tom Poes' hulp lang niet altijd nodig. Dat is het verrassend vaak heer Bommel zelf die op een of andere wijze het probleem oplost (meestal zonder dat hij precies doorheeft he). Dit zorgt ervoor, dat Kwetal hem blijft bewonderen en vertrouwen. En niet onterecht. Volgens Pepplinkhuizen wordt in Toonders werk de verhouding tussen de wereld van alledag en het 'rijk op de achtergrond' beschreven - 'ofwel de integratie van bewust en onbewust, zoals Jung dat bedoelde'. En heer Bommel is dan voor de verteller de onmisbare schakel, lijkt mij.

'Je kunt de beer vooruitsturen', aldus Pepplinkhuizen, 'hij is flink genoeg om de confrontatie met de onbekende buitenwereld aan te gaan, maar hij kan je, als dier, dus als vertegenwoordiger van de instinctieve wereld, ook weer terug helpen naar de wereld van het onbewuste, waar alles ooit ontstaan is.
      Interessant genoeg wordt het transitional object (een voorwerp dat helpt bij de overgang van de symbiose met de moeder naar zelfstandigheid) - het beertje, het oude lapje - [...] van belang geacht bij de taalontwikkeling van het kind. Het aardige is nu dat het taalgebruik van Bommel helemaal past bij die fase uit de kindertijd. [...] Hij gromt wat: 'Grmpf!'; hij stamelt: 'Tttom Poes, dddoe toch wat!', hij raakt de weg kwijt in fraai bedoelde zinsconstructies, - zijn lijfspreuk is niet voor niets 'als je begrijpt wat ik bedoel'.

Tom Poes als sturende hand
We zouden heer Bommel dus moeten zien als een 'transitional object', een 'wegbereider'. De wegbereider van de verteller in het onbekende gebied van diens geest wellicht.
      De verteller stuurt zijn wegbereider, heer Bommel, op pad, maar welk instrument heeft hij om hem bij te sturen, te begeleiden? Binnen de verhalen, bedoel ik. Wie corrigeert heer Bommel, wie behoedt hem voor t grote gevaren? Natuurlijk Tom Poes. Tom Poes is de sturende hand van de verteller.
      Dat maakt ook duidelijk waarom Tom Poes zo is ontdaan van eigenschappen, zoals Jan Hein Donner opmerkte:

Tom Poes heeft geen eigenschappen [...]. Onzichtbaarheid is Tom Poes' wezen [...]. Om zijn teveel op te heffen, moet een mens van zichzelf ontdaan zijn. Tom Poes is geslachtloos, gecastreerd.
(Jan Hein Donner, Het menselijk teveel en de paradox van de identiteit. In: Als je begrijpt wat ik bedoel!!, Amsterdam 1967)

Ook Godfried Bomans merkte Tom Poes' dienstbaarheid op, maar liet de verteller buiten beschouwing, waardoor Tom Poes zonder meer in dienst kwam te staan van heer Bommel.

Beschouwen wij Tom Poes nog een ogenblik nader. Hij heeft een knechtennatuur. [...] De grootheid van Tom Poes is gelegen in de bewustheid, dat hij klein is. Nimmer verliest hij, ofschoon hij in doorzicht en berekening heer Bommel verre de baas is, de onmetelijke afstand uit het oog, die hem van deze Olympir scheidt. Ofschoon hij heer Bommel in zijn zak kan steken, blijft de verhouding feodaal. [...] Tom Poes is de Sam Weller van deze Pickwick, de Sancho Panza van deze Don Quichotte.
(Godfried Bomans. Tom Poes in Rommeldam. In: Altijd dezelfde, Amsterdam, 1973)

Maar Bomans komt nergens met een verklaring van Tom Poes' inzicht in eigen kleinheid en dat is onbevredigend. Dan liever Rinus Ferdinandusse, die zonder omhaal over Tom Poes beweert, dat hij de knecht van de tekenaar is:

'Heer Ollie, wat bent u nu aan het doen?'
'Ik loop, ' zei heer Ollie dof, 'dat zie je toch?' (De Tuttelwurm)
      'Wacht even, heer Ollie, u gaat toch niet wr terug?'
'Ja, jonge vriend, ik ga wel.' (Het Overdoen)
      Een lange reeks van voorbeelden waaruit zou blijken dat hij de knecht was geweest, niet van Ollie, maar van de tekenaar.
      [...] 'Tom Poes, die toevallig het groepje passeerde, hoorde die laatste woorden - en die gaven hem te denken.' (De Argwaners)
(Rinus Ferdinandusse, Afscheid van Bommel. In Vrij Nederland, 03-05-1986)

Weliswaar bedoelde Ferdinandusse hiermee meer een hulpmiddel van de verteller om ons inzicht in het verhaal te geven, om ons te laten meekijken, maar toch... die 'sturende hand van de verteller' is maar een klein stapje verder.

Dat Tom Poes de knecht van de tekenaar is, en de sturende hand van de verteller, is natuurlijk een leuke constatering, maar het is er wel een van buitenaf. Het vertelt ons weinig over hoe het bnnen de verhalen in elkaar zit met de relatie tussen heer Bommel en Tom Poes. Hoe heeft die sturende vertellershand daar vorm gekregen? Daar gaan we in dit artikel naar op zoek.