hoofdstuk 2 - wat betekenen heer Bommel en Tom Poes voor elkaar:


hoofdstuk 2
wat betekenen heer Bommel en Tom Poes voor elkaar

Wat betekent heer Bommel voor Tom Poes; Tom Poes in de ogen van heer Bommel; Tom Poes als intermediair en opvoeder

Wat betekent heer Bommel voor Tom Poes?
Heer Bommel is de enige die zich met Tom Poes inlaat en Tom Poes' functie als heer Bommels probleemoplosser is zijn enige bestaansreden. Zonder heer Bommel Bestt Tom Poes niet: hij lijdt een schaduwbestaan! Hij treedt op in heer Bommels avonturen, maar blijft eeuwig op de achtergrond, waardoor hij zelfs in zijn eigen omgeving een buitenstaander is. Door zijn nietige gestalte en zijn gewoonte zichzelf weg te cijferen, valt Tom Poes niet op. En daardoor vallen ook zijn daden niet op.
      (Als hij al eens bedankt wordt, schuift hij die dank altijd door naar een andere helper; hij verwacht geen dank; hij wl zelfs geen dank! Dit is een nogal onverteerbare karaktertrek, deze onvoorstelbare bescheidenheid, maar als de aandacht op Tom Poes zou vallen, zou dat zijn werk als probleemoplosser zeer bemoeilijken. En soms krijg ik zelfs wel eens de indruk, dat Tom Poes niet eens van zichzelf vindt dat hij d probleemoplosser is en dat zou betekenen dat zijn bescheidenheid dus niet alleen maar tactiek is.)

Tom Poes in de ogen van heer Bommel
Heren hebben knechten, zoals Bomans opmerkte: Don Quichotte heeft Sancho Panza, Sam Weller zijn Pickwick en heer Bommel heeft Tom Poes. Ik heb al eerder de conclusie getrokken, dat als Pepplinkhuizen gelijk heeft in zijn bewering dat heer Bommel een 'transitional object' van de verteller is, Tom Poes wel 'de sturende hand van de verteller' moet zijn.
      Maar hoe ziet heer Bommel - die immers geen weet heeft van schrijvers, tekenaars, stripverhalen of psychologie - Tom Poes?

Heer Bommel heeft het een beetje moeilijk met Tom Poes. Enerzijds is het prettig om iemand in de buurt te hebben die zonder morren de picknickmand draagt; anderzijds is Tom Poes een betweter (want de sturende hand).
      Tom Poes dringt altijd veel sneller door tot de kern van de zaak dan anderen, hij is een snelle denker. Die denkvoorsprong levert hem vrijwel altijd de marge die hij nodig heeft om een gunstige wending aan het avontuur te geven. Ja, Tom Poes weet heel wat voor elkaar te krijgen en dit talent zou hem veel macht kunnen bezorgen, maar dat ambiert hij niet. Hij is er alleen maar om heer Bommels problemen op te lossen.
      En heer Bommel ervaart dat nu juist vaak als een plaag, altijd die Tom Poes om hem heen die het beter weet. Als hij - hetgeen in sommige verhalen gebeurt - over veel macht beschikt, gedraagt hij zich tegenover Tom Poes dan ook al snel niet meer als een heer; hij verliest zijn al zo lang op de proef gestelde geduld en staat zelfs toe dat Tom Poes fysiek geweld wordt aangedaan! In Heer Bommel en de zwelbast bijvoorbeeld, blaast de zwelbast Tom Poes weg, nadat heer Bommel heeft geklaagd dat hij diens ontplooiing remt, en heer Bommel zegt dan:

'Hij is een goede vriend, maar zijn bemoeizucht is soms mr dan ik kan verdragen. Het is goed, dat hij eens een lesje heeft gehad!'
(BV77: Heer Bommel en de zwelbast, p.75. In: Zaken zijn zaken. Eerste druk. Amsterdam 1977.)

Maar Tom Poes laat zich niet ontmoedigen en blijft heer Bommel helpen, tot diens grote ergernis. Uiteindelijk roept hij uit:

'Ik wil niets meer met je te maken hebben!'

En Tom Poes laat zich wegsturen. Maar niet voor lang. Als heer Bommel dieper in de moeilijkheden is geraakt, zegt hij:

'Hm, ik zal toch maar proberen of ik hem helpen kan, al was hij ook tamelijk lelijk tegen me.'

En ook in het verhaal Tom Poes en de split-erwt (BV73, p.44/45) stelt heer Bommel zich overspannen en agressief tegenover Tom Poes op. Hij laat hem bijna door een draak van de aardbodem vagen. Het is slechts aan Tom Poes' eigen inzicht en handigheid te danken, dat hij het leven er niet bij inschiet! Maar ook hier - terwijl hij toch uit zijn witte poezevelletje zou moeten springen van woede - reageert hij uiterst laconiek. Als heer Bommel bekent dat er haast iets vreselijks was gebeurd, krijgt hij als antwoord:

'Maar het is niet gebeurd,' zei Tom Poes troostend.
(BV73: Tom Poes en de split-erwt, p.45. In: Met mijn teer gestel. Eerste druk. Amsterdam, 1974.)

Duidelijk is, dat het feit dat beiden tot elkaar veroordeeld zijn, bij heer Bommel soms voor grote spanning zorgt. Toch laat Tom Poes heer Bommel nooit in de steek, zelfs niet na zo'n vreselijke behandeling. Waarom niet?

Zeker nu we Tom Poes' afhankelijkheid van heer Bommel kennen (die wederzijds is), is het merkwaardig, dat we Tom Poes nooit horen zeggen dat heer Bommel zijn vriend is. Andersom is heer Bommel grootmoedig genoeg om Tom Poes wel zjn vriend te noemen, ook al ervaart hij diens bemoeizucht vaak als drukkend. Hier zien we duidelijke verschillen in karakter.
      Wellicht heeft het met Tom Poes' rol als sturende hand te maken: hij doet zijn plicht en daarmee uit. Maar kil is het wel.
      Gelukkig heeft heer Bommel dat niet zo in de gaten. Hij lijkt Tom Poes te zien als een aanvulling op zichzelf (wat deze in zekere zin ook is). Tom Poes is iemand die hij op kan voeden, kan vormen naar zijn voorbeeld, want Tom Poes kan niet ontsnappen wanneer heer Bommel de 'Bommelse gedachte' aan hem wil uitdragen. Als tegenprestatie voor zijn wijze lessen, maakt heer Bommel ongegeneerd gebruik van zijn vriends capaciteiten als probleemoplosser:

'Als ik nu even met Tom Poes kan overleggen, zou ik een list kunnen verzinnen, als iemand begrijpt wat ik bedoel...'
(BV157: Heer Bommel en de Grote Onthaler, p.93. In: De grote onthaler. Eerste druk. Amsterdam, 1977.)

Tom Poes kent zijn taak: hij is heer Bommels aangever, hij moet de problemen oplossen en heer Bommel vervolgens de eer gunnen:

(Heer Bommel:) 'Dan kan ik ze alles uitleggen, dacht ik. Nadat ik even met de jonge vriend gepraat heb, bedoel ik.'
Tom Poes knikte begrijpend, [...].

(BV168: Heer Bommel maakt volledig, p.161. In: Dat geeft te denken. Eerste druk. Amsterdam 1986.)

Maar als heer Bommel Tom Poes ziet als een verlengstuk van zichzelf, als iemand om de Bommelse gedachte aan uit te dragen, ziet hij hem dan ook als opvolger? Af en toe kun je die indruk krijgen; de volgende uitspraak in Heer Bommel en de zwelbast bijvoorbeeld geeft te denken:

'Vaarwel, Tom Poes. Als ik soms niet terug mocht komen is mijn geruite jas voor jou, als je begrijpt wat ik bedoel.'
(BV77: Heer Bommel en de zwelbast, p.69. In: Zaken zijn zaken. Eerste druk. Amsterdam, 1977.)

Ja, wat bedoelt heer Bommel? Gaat het hier om een materile schenking, of bedoelt hij dat Tom Poes na heer Bommels wegvallen diens plaats als heer moet innemen?
      Wij weten dat door de verschillen in hun functie in de verhalen (transitional object en sturende hand), het onmogelijk is, dat Tom Poes heer Bommel ooit zal opvolgen, maar heer Bommel weet dat niet en waarschijnlijk weet Tom Poes het ook niet. Dit legitimeert heer Bommels poging Tom Poes op te voeden, diens rolmodel te (willen) zijn.
      Maar in die poging boekt heer Bommel uiteraard geen enkel succes. In Tom Poes en de grootdoener (1963) zegt heer Bommel tegen Tom Poes:

'Ik heb wel eens gedacht dat je leven niet genoeg formaat heeft.'
(BV105 Tom Poes en de grootdoener, p.114. In: Mooi is dat. Eerste druk. Amsterdam, 1984.)

Met onvoldoende formaat kan Tom Poes natuurlijk nooit een heer worden, die per slot van rekening een ruime en verheven kijk op de dingen moet hebben. Het is daarom uitgesloten, dat Tom Poes heer Bommel ooit opvolgt. Tom Poes zal altijd klein blijven en hij verlangt niet anders:

'Ik blijf liever gewoon,' zei Tom Poes.
(BV122: Tom Poes en de hupbloemerij, p.164. In: Zoals mijn goede vader zei. Achtste druk. Amsterdam, 1981.)

Toch doet heer Bommel zijn best. Onverdroten gaat hij voort Tom Poes het goede voorbeeld te geven en de Bommelse gedachte aan hem uit te dragen.
      In ruil verwacht hij natuurlijk wel iets terug: vriendschap. En als je als jongere de vriend van een heer wilt zijn, moet je weten wat er van je verwacht wordt: dienstbaarheid. Zoals veel ouderen zich niet generen om een kind om een boodschap te sturen, vindt heer Bommel het heel normaal dat Tom Poes kleine karweitjes voor hem opknapt, zoals het tot een goed einde brengen van een avontuur (want de redding die Tom Poes vaak brengt, ziet heer Bommel als een klein karweitje; de werkelijke omvang van Tom Poes' hulp ontgaat hem meestal).
      En Tom Poes gehoorzaamt zonder morren, maar niet als vriend of als opvolger; hij vervult zijn door de schrijver opgelegde taak op een andere, bijna moederlijke wijze.

Tom Poes als intermediair en opvoeder
Tom Poes' taak bestaat niet domweg uit het tot een goed einde brengen van de avonturen: als 'sturende hand' is hij een manusje van alles.
      Hij moet zorgen dat heer Bommel zich handhaaft in de alledaagse wereld, de gewone wereld van Rommeldam.
      'Als je begrijpt wat ik bedoel' horen we heer Bommel vaak zeggen en soms lijkt het dan wel alsof hij zlf nog niet helemaal weet wat hij bedoelt, alsof het net ongrijpbaar om een hoekje ligt en hij er verbaal dus nog geen uitdrukking aan kan geven. Want taal is niet heer Bommels sterkste punt. Hij beschikt over een duidelijk igen vocabulaire, met heel igen uitdrukkingen - hetgeen hem in de verhalen tot een boeiend karakter maakt en een van de redenen is waarom sommigen heer Bommel graag een 'round character' noemen - maar het maakt zijn omgang met anderen tot een zware opgave. Met andere woorden, heer Bommel is een broddelaar! En Tom Poes is een van de weinigen die daarmee om kan gaan (heer Bommel geeft een uitleg van het gebeurde):

Dat deed hij op zijn gewone boeiende wijze, zodat alleen Tom Poes begreep wat er precies gebeurd was.
(BV166: Heer Bommel en de minionen, p.169. In: Een ragfijn spel. Eerste druk. Amsterdam, 1981.)

Tom Poes is een intermediair. En dan nog wel eentje die op eigen houtje heer Bommels woorden aanpast aan de eisen van de wereld. Of van de moraal! Want de moralistische Tom Poes speelt soms zelfs de rol van heer Bommels geweten:

'Vluchten loont niet,' sprak hij, 'als u onschuldig bent hoeft u niets te vrezen - en als u schuldig bent, verdient u straf. Het is allemaal erg eenvoudig [...].'
(BV74: Heer Bommel en de achtgever, p.62. In: 'k Wist niet dat ik het in mij had. Zevende druk. Amsterdam, 1979.)

En zo is Tom Poes heer Bommels opvoeder, hij vrmt heer Bommels geweten. En dat is toch eigenlijk de taak van een moeder?!
      Ook in het volgende voorbeeld klinkt Tom Poes als een opvoeder, een moeder die haar kind een reprimande geeft:

'Niet doen, heer Ollie!' riep hij. 'U moest u schamen [...].'
(BV109: Tom Poes en de Vuursalamander, p.80. In: Grondstoffelijke trillingen. Vierde druk. Amsterdam, 1983.)

Tom Poes steunt heer Bommel zoveel als in zijn vermogen ligt. Als alles weer eens is misgegaan en heer Bommel aanvankelijk overal de schuld van krijgt, weet Tom Poes de zaken vaak zo voor te stellen, dat de personen die heer Bommel eerst nog als misdadiger zagen, hem nu juist als een held gaan zien. Tom Poes souffleert heer Bommel dan, zodat deze precies de goede dingen zegt om het nieuwe gezichtspunt te bevestigen.
      Soms volstaat Tom Poes 'ge-hm' al om heer Bommel bij te sturen - deze heeft wel degelijk door dat dit een afkeuring inhoudt, alhoewel ik al eerder heb laten zien, dat heer Bommel niet altijd luistert en Tom Poes' waarschuwing soms alleen maar hinderlijk vindt:

'Je hebt een kwalijke manier van 'hm' zeggen, jonge vriend!'
(BV78: Heer Bommel gaat het overdoen, p.44. In: Altijd dezelfde. Eerste druk. Amsterdam, 1973.)

Toch geeft Tom Poes, waar nodig, vermaningen. Op die manier stuurt hij heer Bommel, voedt hem op, zou je kunnen zeggen, en laat hem een goed figuur slaan tegenover de buitenwereld (of behoedt hem tenminste voor blijvend eerverlies). En uiteindelijk is het ook die 'hinderlijke' Tom Poes die met de juiste oplossing van het probleem komt en heer Bommel is dan over het algemeen niet kinderachtig en geeft zijn protg (o, omgekeerde wereld!) een complimentje:

'Soms heb je toch goede ideen,' sprak hij. 'Ik ben trots op je!'
(BV132: Tom Poes en de slijtmijt, p.198. In: Zaken zijn zaken. Eerste druk. Amsterdam, 1977.)

Door de jaren heen, gebeurt dit regelmatig en het duidelijkst wel in het laatste verhaal, ook al beslaat heer Bommels dankwoord aan Tom Poes nauwelijks meer dan een regel:

'Ik dank u allemaal voor uw hartelijke woorden,' zei hij. 'En Tom Poes voor zijn hulp, want zonder hem zaten we hier niet.'
(BV177: Heer Bommel en het einde van eindeloos, p.184. In: Als dat maar goed gaat.... Eerste druk. Amsterdam, 1988.)

En het is waar. Al die jaren heeft Tom Poes gerend en gedraafd om heer Bommel te brengen waar hij nu is. Als die jaren was hij heer Bommels verzorger, zijn hoeder.
      Maar hoezeer Tom Poes heer Bommel ook tot steun moge zijn, deze voelt zich door hem niet begrepen. Hoe kan het ook: Tom Poes is weliswaar met onzichtbare ketens aan heer Bommel geketend, maar hij beschikt niet over diens diepe zieleleven, heer Bommels mooie voorbeeld ten spijt. Tom Poes hft waarschijnlijk zelfs nauwelijks een zieleleven, want dat zou hem alleen maar in de weg staan. Donner zei het al: Tom Poes heeft geen eigenschappen. (Behalve natuurlijk de eigenschap heer Bommel in alles bij te staan, maar die is hem opgelegd.)
      Het is dan ook pas wanneer Doddeltje op het toneel verschijnt, dat heer Bommel zich begrepen voelt. Doddeltje heeft namelijk wl eigenschappen; ze heeft precies alle eigenschappen in zich die haar voor heer Bommel aantrekkelijk maken en dieTom Poes ontbeert. Doddeltje vult Tom Poes' tekortkomingen aan. Maar daarover later meer, eerst wil ik nog wat dieper ingaan op Tom Poes' verzorgende rol.